background

Japan Oppervlakking - by Arend Rensink

April 11th, 2018

The following blog was written in Dutch by Arend Rensink, a professor in Computer Science at the University of Twente and published on October 8th, 2017, after one of his visits to Japan. The original, including illustrations accompanying the text, can be found on Arend's blog at this link. The blog is a direct copy and, as such, is in Dutch. 

Japan oppervlakking

Voor de tweede keer in Japan ben ik opnieuw in de greep van dat Lost in Translation-gevoel. Waarom? Wat maakt reis en verblijf in Japan onthemender dan in een ander buitenland?

Daarop zijn natuurlijk meerdere antwoorden mogelijk. Om te beginnen het feit dat je hier, na een vlucht van veertien uur en een tijdverschil van min zeven, in een wankele staat van bewustzijn middenin een drukke stad wordt gedropt. Het duurt wel even voordat die mist is opgetrokken. Maar daar wil ik het hier niet over hebben. In plaats daarvan wil ik eens opsommen met welke oppervlakkige culturele verschillen je onmiddellijk geconfronteerd wordt; verschillen die je er telkens weer met een schokje op wijzen dat je echt héél ver van huis bent.

Flitsende geluiden, schreeuwende kleuren

Je kunt je er niet aan onttrekken: ingeblikte wijsjes uit alle denkbare en een heleboel ondenkbare apparaten. Pratende liften kom je in meer landen tegen, en ook in Nederland vinden stations het nodig om zich van hun muzikale kant te laten horen, maar van bliepende deuren, sprekende betaalautomaten en piano spelende toiletpotten blijf ik persoonlijk liever verschoond. Er is in Japan geen ontkomen aan: zittend in een trein of lopend over straat word je van alle kanten gebombardeerd met geluiden, of het nu is omdat er een stoplicht op groen springt of iemand in de buurt een blikje bier uit een automaat trekt. You’re not in Kansas any more, en ook met je ogen dicht word je daar voortdurend aan herinnerd.

Schreeuwende kleuren

Net zo goed als je op auditief gebied wakker wordt gehouden, zijn ook de visuele signalen alomtegenwoordig en weinig subtiel. Posters en advertenties strijden om je aandacht met felle kleuren, hoe neonachtiger hoe beter, en vette letters – of eigenlijk: letters in elk denkbaar font. Meegezogen in dit geweld geldt hetzelfde voor de serieus bedoelde boodschappen: aanwijzingen voor treinpassagiers vallen vooral op door het ongegeneerde gebruik van rose, geel en groen. Het helpt natuurlijk niet dat je er desondanks absoluut niet wijs uit kunt worden, ondanks de hier en daar opduikende eenzame latijnse letters en arabische cijfers. Volgende keer toch maar een cursusje Japanse alfabetten…

Dit visuele geweld staat in schril en voor mij onverklaard contrast met de essentie van Japans ontwerp en Japanse kunst, waarbij stilistische soberheid en eenvoud toch juist kenmerkend zijn.

Technische toiletpotten

Toiletpot

Het toilet als een plek waar je rustig even je zonden kunt overdenken en je WhatsApp kunt bijwerken is een westers concept. Hurktoiletten zijn daar sowieso niet geschikt voor, maar dat is in Japan niet het probleem. Hier gaat het eerder de andere kant op: in plaats van (in onze ogen) primitief is er sprake van een bevreemdende hoeveelheid extra’s en opties, te reguleren met behulp van een bedieningspaneel met (soms) uitgebreide gebruiksaanwijzing en (in ieder geval) mysterieuze of juist zeer weinig aan de verbeelding overlatende icoontjes. Ik noem:

  • De voorverwarmde WC-bril, die je het gevoel geeft dat de vorige bezitter nog maar een seconde geleden opgestapt is
  • De drukgevoelige WC-bril, die een licht verende werking tot gevolg heeft en waarbij de pot meteen overgaat tot een kleine, continue waterstroom
  • Het ingebouwde bidet, met bewassing in te reguleren hoeveelheden en instelbare temperatuur
  • De aanpasbare waterdruk, vermoedelijk tegen weerbarstige restanten
  • Het leukste: de nep-spoelknop, die het geluid van doortrekken produceert terwijl je zelf nog even blijft zitten, daarmee eventuele andere geluiden maskerend.

Lopen de Japanners op dit gebied voor, en zitten we over tien jaar allemaal op een ruisende, voorverwarmde toiletpot? Moeilijk te geloven. Is er iets in de Japanse psyche waardoor deze trend kan worden verklaard? Hoe dan ook, de paar keer per dag dat een bezoekje aan het toilet nodig is zijn evenzovele momenten waarop de bevreemding weer even toeslaat.

Wat toiletten betreft tenslotte nog dit, even terugkomend op het punt van visuele signalen: consequent worden herentoiletten aangegeven in blauw, damestoiletten in rood. Dát vind ik nu wel goed gevonden. Het zou wel boeiend zijn te weten hoe men gestandaardiseerd heeft op juist die kleuren.

Gebarentaal

Zelfs binnen Europa lopen gebaren sterk uiteen, maar bij elke oppervlakkige interactie met een Japanner weet je meteen zeker dat je ver buiten Europa bent.

Te pas en te onpas buigen natuurlijk; of liever gezegd: er is geen te onpas, er zijn alleen diepere en minder diepe buigingen. Op zijn allerminst wordt het hoofd kort genegen: het is meer dan een knikje, niet alleen zinkt het hoofd dieper maar ook is er sprake van een korte pauze op het diepste punt. Bij een respectvollere variant gaan de schouders mee. Als toerist verdien je natuurlijk nooit een écht diepe buiging die uit het middel komt, behalve misschien in hotels van een prijklasse die buiten mijn bereik ligt.

Het is niet eenvoudig te bepalen hoe je hierop moet reageren. Je wilt niet ál te barbaars overkomen – al is daar misschien in de praktijk niets aan te verhelpen. Een klein beetje aanpassen aan ’s lands wijs is wel zo beleefd, maar bij elke poging tot ben je je ervan bewust dat het onnatuurlijk voelt, en er dus waarschijnlijk ook zo uitziet. Het zij zo.

Een minder bekend, maar daarom niet minder opvallend verschil treedt op bij het overhandigen van iets kleins zoals geld of boodschappen. Dat gebeurt namelijk consequent met twee handen (vergezeld van een buiging van de lichtste soort). Voor aannemen geldt hetzelfde. Ik heb gemerkt dat dit veel moeilijker te kopiëren is dan de buiging: ik denk er te laat aan – namelijk als de tegenpartij het gebaar al ingezet heeft – en heb dan meestal iets in mijn andere hand: een tas of portemonnee bijvoorbeeld. Die hand is voor het geef/aanneemgebaar dus niet beschikbaar. Een Japanse gever/aannemer is hierop voorbereid en heeft géén tas of portemonnee in zijn of haar andere hand, maar hoe dat precies werkt heb ik nog niet doorgrond.

Timing

Een boek dat ik een tijd geleden met veel interesse las, The Culture Map, deelt culturen op een achttal min of meer onafhankelijke assen in. Eén daarvan gaat over het verschil tussen “flexibele tijd” versus “stricte tijd”. Veel Aziatische culturen hebben een flexibele notie van tijd, maar dat geldt juist niet voor Japan: hier is tijd nog heiliger dan bij ons. Niet alleen vertrekken treinen op de minuut nauwkeurig, maar een workshop-organisator wordt best nerveus als “zijn” sessie een paar minuten te laat start, en denk niet dat je in je hotel in kunt checken voor de officiële inchecktijd, of in de ontbijtzaal kunt blijven zitten nadat de eindtijd voor het ontbijt verstreken is.

Kleding

Bij bijna alle gelegenheden kleden Japanners zich op een manier die voor mij (kledingleek) niet te onderscheiden is van een doorsnee westerse groep. Maar kom je ergens waar men voor ontspanning of feestelijkheden bij elkaar is dan verschijnt het kledingstuk dat iedereen meteen herkent als zuiver Japans: do kimono. Bij vrouwen met zo’n reusachtig permanent kussen op de rug waarbij ik me elke keer weer afvraag wat de functie ervan is. Om eerlijk te zijn krijg ik onmiddellijk de associatie met geisha’s, en dan denk je algauw (terecht of onterecht) aan dames die te huur zijn – wat dan weer absoluut niet klopt met de observaties: vrolijke groepen jonge vrouwen, soms gezinnen, die gewoon een leuk dagje uit beleven.

Nemaki met kraanvogel

Op elke hotelkamer waar ik kwam lag op het bed een eenvoudige kimono klaar, meestal naast de handdoek die ik daar inderdaad verwacht; waarvoor in godsnaam? Alleen in mijn eerste hotel werd me bij checkin verteld dat ik “mijn kimono” zelf even op maat uit een kast moest trekken. Heb ik gedaan, maar het gewaad is vervolgens ongebruikt gebleven. Eén keer heb ik geprobeerd erin te slapen, in de veronderstelling dat dát dan wel de bedoeling zou zijn; maar niets is ongemakkelijker dan zo’n jurk die blijft liggen als jij je omdraait.

Het alwetende internet biedt uitkomst.

  • De kimono’s die je op straat ziet zijn geen kimono’s maar yukata’s, en dat zijn niet meer of minder dan vrolijke jurken voor bij ontspannen gelegenheden.
  • Het kussen is geen kussen maar een obi, dat wil zeggen de band waarmee de yukata (of kimono) wordt bijeengehouden. In de obi zit veel meer werk, versiering en prestige dan in de jurk zelf.
  • De kimono’s op de hotelkamer zijn geen kimono’s en ook geen yukata’s maar nemaki’s, en zijn bedoeld om binnen het hotel te dragen als je naar de onsen gaat. Een onsen op zijn beurt is een gemeenschappelijk heet bad, dat je in adams- of evakostuum geniet. Onder de nemaki heeft de Japanner dus vermoedelijk weinig of geen kleding aan.

Now Time is a Man

Grappig is dat ik geen hotelkamer ben tegengekomen zonder nemaki, maar wel hotels zonder onsen. Waar ze er wel zijn, zijn er óf twee (een voor elk van de geslachten) of is er sprake van timesharing: genderneutrale onsens schijnen vroeger bestaan te hebben, voordat Japan zijn poorten naar de wereld opende (lees: werd gedwongen te openen) maar nu niet meer, of in ieder geval niet dat ik gezien heb. (In het hotel met timesharing hing bij de onsen een filosofisch pareltje om de bezoekers voor vergissingen te behoeden: “Now time is a man” respectievelijk “Now time is a woman”.)

Ons dagelijks brood

Japanners eten, voor zover ik heb kunnen vaststellen, alles. Alles dat op land groeit en loopt, en alles dat in zee groeit en zwemt. En ze weten het nog smakelijk klaar te maken ook. Maar ga niet op zoek naar brood, en als je iets vindt dat op brood lijkt, ga er dan niet klakkeloos van uit dat je weet wat erin zit of waar het naar smaakt.

Volkorenbrood en brood met een korst lijken hier onbekend. Wat eruit ziet als een broodje bevat zo goed als zeker iets dat er ingebakken is, of het nu ham is, of zoetigheid, vissigheid of hummus. De Japanners maken dan ook een nog groter avontuur van het “international breakfast” dan de Italianen. Het enige waar je van opaan kunt zijn de croissants: dat zijn inderdaad croissants – er zit niet eens jam in. Misschien van zichzelf al ver genoeg verwijderd van het concept “brood” dat het niet nodig wordt geacht er nog iets aan te veranderen.

Wie als toerist bij wijze van lunch alleen een snelle snack blieft die tijdens het lopen kan worden opgegeten, moet improviseren met koekjes, of zich neerleggen bij ’s lands wijs en het doen met een broodachtig object waar stukken chocola of kaas zijn ingebakken. Bananen zijn ook een optie.

De conclusie? 

Mijn verwondering komt uiteraard voor mijn eigen rekening; echt wonderlijk kunnen de gebruiken van een ander land per definitie niet zijn – alleen anders dan de bezoeker gewend is. Dat is dan ook precies het punt: al die momenten waarop dingen net even anders zijn dan je gewend bent tellen op tot een totaal dat af en toe, ’s avonds als het donker is, kan overweldigen. Daarbij zijn het de vooral de kleine verschillen die het grootste gevoel van bevreemding geven.

Waarom zou die bevreemding in Japan sterker zijn dan in andere buitenlanden? Eigenlijk kan ik maar één ding bedenken: het feit dat het hier in zoveel opzichten juist wél lijkt op een westers, Europees land. Het is welvarend en schoon, alles werkt, mensen zijn behulpzaam, zelfs al verstaan ze geen woord van wat je zegt en vice versa. Maar du moment dat je ontspant en er onbewust op vertrouwt dat je snapt hoe dingen werken blijkt het nèt een beetje anders te zijn.